Als je deze strook ziet is het best mogelijk dat onze website niet optimaal functioneert of zelfs niet werkt bij bepaalde onderdelen. Je gebruikt best een recente versie van Chrome, Firefox, Safari of Edge.

Contact | Secretariaat
Martine Pollier
Zandstraat 324, 8200 Brugge
T +32 50 322 420
info@archipelvzw.be

Bezoek

Spelen in de tussenruimte

Aldo van Eyck in kleur, uitstap naar Amsterdam
Zaterdag
07.03
Amsterdam

De uitstap gaat door op zowel de eerste zaterdag van maart als de eerste zaterdag van april.

In samenwerking met:

Met de steun van:

Aldo van Eyck (1918–1999) was een visionaire architect en belangrijke stem in het naoorlogse architectuurdebat in Nederland. Voor van Eyck vormde het begrip ‘tussen’ de kern van zijn architectuur.

Wikicommons Aerial photo by KLM Aerocarto Schiphol-Oost, 24 February 1960 17661 Burgerweeshuis Aldo van Eyck

Hij verzette zich tegen het functionele en rationele denken van het modernisme, dat de wereld verdeelde in tegenpolen: binnen/buiten, publiek/privé, werk/rust, stad/natuur, oud/nieuw, kind/volwassene. Voor hem lag de betekenis juist in het gebied tussen die uitersten: de ruimte van ontmoeting, overgang en relatie. Architectuur moest niet scheiden, maar verbinden, en zo een menselijke maat herstellen in een te rationele wereld. We trekken naar Amsterdam, op zoek naar dit spel van tussenruimtes.

In zijn Amsterdamse speelplaatsen uit de jaren vijftig en zestig bracht hij dit idee letterlijk in praktijk. Ze lagen niet afgesloten, maar precies tussen de huizenblokken, als open plekken waar kinderen konden spelen en buurtbewoners elkaar ontmoetten. Ook het Burgerweeshuis (1960) is een voorbeeld van dit verbindende principe. Opgebouwd uit een netwerk van kleine ruimtes, binnenplaatsen en doorgangen vloeien binnen en buiten er in elkaar over; elke overgang is een plek op zichzelf, vol nuance en betekenis. Van Eyck liet zich inspireren door antropologie en fenomenologie. Hij geloofde dat betekenis ontstaat tussen mensen en dingen, in de ervaring van plaats en moment.

In samenwerking met het Van Eesterenmuseum, vernoemd naar Cornelis Van Eesteren, de architect-stedenbouwkundige die met het Amsterdams Uitbreidings Plan de blauwdruk legde voor de naoorlogse groei van de Nederlandse hoofdstad, bezoeken we een aantal sleutelwerken uit het oeuvre van Aldo van Eyck, zowel gebouwen (het Burgerweeshuis en het Humbertushuis) als een aantal openbare ruimtes en speelplaatsen.

Het Burgerweeshuis

Stadarchief Amsterdam IJsbaanpad 3, Burgerweeshuis. Architect Aldo E. van Eyck. Prijswinnaar van de Merkelbachprijs 1964

In 1954 kreeg Aldo van Eyck opdracht een nieuw kindertehuis te bouwen aan het IJsbaanpad in Amsterdam-Zuid. Zes jaar later werd het nieuwe Burgerweeshuis opgeleverd. Het Burgerweeshuis wordt internationaal beschouwd als een sleutelwerk van het naoorlogs modernisme. Na gebruik als zorginstelling, academiegebouw en kantoor heeft het rijksmonument langdurig leeg gestaan en raakte het in verval.
Oorspronkelijk bood het complex plaats aan 125 kinderen in acht paviljoenen, geschakeld aan verschillende dienstruimten. De paviljoenen zijn als woningen opgevat die zich langsheen een binnenstraat situeren. Hierdoor verkrijgt het gebouw zijn kenmerkende opzet. Karakteristiek is de generieke structuur van zichtbeton met invullingen in zichtbaar metselwerk, translucent of transparant materiaal, met daken gevormd door acht grote en 328 kleine dakkoepels. Hoewel de invullingen en vaste inrichting aan elke ruimte een heel specifiek karakter verlenen, wordt het Burgerweeshuis beschouwd als de oorsprong van het structuralisme, een stroming die uitging van de kracht van een vrij invulbare structuur.

In 2017 werd het inspirerende bouwwerk geheel gerenoveerd onder leiding van het architectenbureau van Wessel de Jonge en landschapsbureau Atelier Quadrat. De betonnen geveldelen zijn ontdaan van de taaie coating en werden zorgvuldig hersteld, het metselwerk is gerepareerd en gereinigd. De door Van Eyck rond 1993 vervangen kozijnen zijn geschilderd in de oorspronkelijke kleuren en het glas is vervangen. De buitenruimten en het terrein worden opnieuw aangelegd op basis van het oorspronkelijke ontwerp en huidige eisen.

De Speelplaatsen
Aldo van Eyck kwam in 1947 op 28-jarige leeftijd in dienst bij de Amsterdamse Publieke Werken, afdeling Stadsontwikkeling. Na een korte periode aan stadsuitbreidingen te hebben gewerkt, kreeg hij de opdracht om een speelplaats op het Bertelmanplein te ontwerpen. In Amsterdam bestonden toen alleen afgesloten speeltuinen die door speeltuinverenigingen beheerd werden. Kinderen moesten lid zijn om er te kunnen spelen. In de woonbuurten zelf waren niet of nauwelijks speelvoorzieningen voor kinderen. Op initiatief van Jakoba Mulder, die leiding gaf aan de ontwerpgroep waarvan Aldo van Eyck deel uitmaakte, werd het plan geïnitieerd om iedere buurt in Amsterdam een kleine openbare speelplaats te geven. De eerste speelplaats op het Bertelmanplein was een experiment. Aldo van Eyck ontwierp voor het plein een breedgerande zandbak waarin hij vier ronde stenen en een klimboogje plaatste. De zandbank werd excentrisch in de noordhoek van het plein geplaatst. Diagonaal van de zandbak stonden drie duikelrekjes, het plein werd begrensd door bomen en vijf zitbanken. De speelplaats werd een succes. Vele ontwerpen volgden, waarbij Aldo van Eyck zich, afhankelijk van de locatie, bediende van een aantal compositie-technieken. Met de speelplaatsen kon hij zijn ideeën over architectuur, over relativiteit en verbeelding, in de praktijk brengen.

Stadarchief Amsterdam Hélene Swarthstraat, Overzicht met speelplaats naar een ontwerp van Aldo van Eyck





Stadarchief Amsterdam Henriëtte Ronnerplein. In de voorgrond een speelplaats naar ontwerp van Aldo en Hanny van Eyck

Relativiteit had betrekking op een werkelijkheid waarin de samenhang van de elementen werd bepaald door hun onderlinge relaties en niet door een centraal, hiërarchisch ordeningsprincipe. Hiermee werd de werkelijkheid dan ook niet meer gedomineerd door een vast centrum, maar waren alle elementen gelijkwaardig. De speelplaatsen die Aldo van Eyck ontwierp kunnen gezien worden als oefeningen van niet-hiërarchische composities. Door de plaatsing van verschillende elementen, waaronder ook zitbanken, bomen en hagen, en door gebruik te maken van verschillende kleuren stoeptegels werden de iele metalen duikelrekjes net zo belangrijk en waren ze net zo aanwezig als de grote betonnen zandbak, die door zijn ronde vorm of met afgeronde hoeken ook weer een zekere zachtheid uitstraalde.

De speeltoestellen, zoals de duikelrekjes, de klimboog, de klimkoepel en de klimtrechter werden door Aldo van Eyck zelf ontworpen, en uitgetest door zijn kinderen. Het ontwerpen van de speeltoestellen beschouwde hij als een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. De speelelementen moesten de fantasie van de kinderen prikkelen. Behalve voor klimmen en koppeltjesduiken kon de klimboog ook dienen als praatheuvel, uitkijkpost, en met een kleed erover ook als hut. In heel Nederland werden zandbakken, klimbogen en springstenen geplaatst.

Het programma van de speelplaatsen werd in samenspraak met de buurt opgesteld door de afdeling Gereedmaking Terrein van de dienst Stadsontwikkeling. Zij waren het ook die bepaalde waar de speelplaatsen zouden komen. Omdat de dienst Stadsontwikkeling in iedere buurt een speelplaats wilde realiseren, werden in het centrum van de stad braakliggende terreinen als – veelal tijdelijke – speelplaats ingericht. Het zijn deze speelplaatsen tussen oude muren en rommelige bebouwing die het meest bekend zijn.

Van de zevenhonderd uitgevoerde speelplaatsen die Aldo van Eyck tussen 1947 en 1978 ontwierp, waren er in 2001 nog negentig over waarvan de oorspronkelijke inrichting bewaard was gebleven, zij het soms aangevuld met andere niet door hem ontworpen speelobjecten. Het Stedelijk Museum van Amsterdam richtte in 2002 een overzichtstentoonstelling in rond de speelplaatsen en bracht deze voor de gelegenheid allemaal in kaart. Sommige speelplaatsen zijn al lang verdwenen maar dat is niet van belang, het gaat om de plek: ‘het zijn punten waar de kiemen voor gemeenschappelijkheid werden gelegd, waar de stad niet bekeken en geconsumeerd moet worden, maar geleefd.’

Van Eesterenmuseum
Het Van Eesteren Museum vertelt een breed en actueel verhaal over stedenbouw, vanuit de historie van de naoorlogse Amsterdamse Uitbreidingswijken. Het museum gaat over het leven en gedachtegoed van stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren en zijn team, waarbinnen Aldo van Eyck een belangrijke rol speelde. Het stadsdeel Nieuw-West, waar het museum gevestigd is, maakte onderdeel uit van het Algemeen Uitbreidingsplan, ook wel het AUP genoemd. Een uitbreidingsplan uit 1935 dat de woonbehoefte van de bevolking tot het jaar 2000 moest faciliteren. Van Eesteren stond aan de basis van het plan, waarin ‘licht, lucht en ruimte’ het uitgangspunt was.

Het Van Eesteren Museum is gelegen in het hart van Amsterdam Nieuw-West en bestaat uit een buitenmuseum, een binnenmuseum en een jaren vijftig museumwoning. Het museum organiseert verschillende tentoonstellingen, wandelingen, excursies, gesprekken en andere activiteiten. Het museum bevindt zich sinds 2017 in een nieuw gebouwd museumpaviljoen aan de Sloterplas, van de hand van Korteknie Stuhlmacher architecten.

De uitstap gaat door op zowel de eerste zaterdag van maart als de eerste zaterdag van april.

De uitstap combineert interieurbezoeken met een fietstocht langs sleutelwerken in van Eyck’s oeuvre. Meer details over het programma volgen.