Rooted transitions
Mijn masterproef onderzoekt hoe de overgang van tijdelijke naar permanente huisvesting na een aardbeving in Nepal op een duurzamere en contextgerichte manier kan gebeuren. Tijdens veldwerk in Ramkot, Langtang en Shankharapur ontdekte ik dat heropbouw vaak losstaat van het landschap, de cultuur en de behoeften van bewoners. Veel nieuwe huizen zijn gebouwd met moderne materialen zoals beton en baksteen, die weliswaar als “veilig” aanvoelen, maar vaak thermisch oncomfortabel zijn en vervreemdend werken ten opzichte van de omgeving.
Door principes uit de permacultuur te gebruiken, zoals “observe and interact” en “use small and slow solutions”, ben ik gaan ontwerpen vanuit het landschap zelf. In mijn voorstel staan de steile hellingen in Nepal niet langer symbool voor risico, maar juist voor potentieel. Door het huis halverwege een helling te plaatsen, wordt regenwater via zwaartekracht opgevangen en naar de woning geleid. Vuil water wordt na filtering opnieuw gebruikt om lager gelegen bloemen en gewassen te irrigeren. Dit passief watermanagement maakt grotendeels gebruik van het landschap, zonder energieverspilling, en herstelt het evenwicht tussen wonen en natuur.
Deze landschappelijke integratie gaat verder dan techniek. Door letterlijk en figuurlijk met mijn voeten in de Nepalese aarde te staan, begreep ik hoe diep wonen verbonden is met ritme, herinnering en gemeenschap. Zo bracht het leven in een weeshuis me dichter bij het alledaagse Nepalese leven, en liet het samenwerken met lokale boeren me de waarde van materialen als koeienmest, rijstreststromen en bamboe ontdekken.
Met deze thesis wil ik aantonen dat architectuur niet enkel een fysieke structuur is, maar een sociaal-ecologisch systeem. Door te bouwen met aandacht voor mensen én voor het landschap waarin ze leven, ontstaat een woning die niet alleen veerkrachtig is, maar ook zorgzaam, rechtvaardig en verbonden.